DE OEIGOEREN EN DE STAAT IN XINJIANG, VOLKSREPUBLIEK CHINA
Autor:
Karel Depauw
(
)
Datum:
09/12/2003
De categorie:
Oeigoeren
1. Inleiding.
Alhoewel slechts 8,4% van de inwoners van de volksrepubliek China als minderheden
gecatalogiseerd staat, betekent zulks niet dat het land gevrijwaard blijft van
etno-religieuze onrust. De problemen in Tibet zijn al geruime tijd bekend. De
jongste jaren duiken in dit opzicht steeds vaker berichten op over China’s noordwestelijke
provincie Xinjiang en daarbij valt steevast de naam van de Oeigoeren. In februari
dit jaar grepen in Yining de zwaarste anti-Han rellen sinds jaren plaats en
op de dag van de begrafenis van Deng Xiaoping werd Urumqi - Xinjiangs hoofdstad
- opgeschrikt door een drievoudige bomaanslag. Het betreft hier echter helemaal
geen recent, maar een oud probleem, dat teruggaat tot de eerste pogingen halverwege
de achttiende eeuw om dit deel van Centraal-Azie in het Chinese rijk te incorporeren,
een proces dat nog volop aan de gang is. Dit artikel schetst de achtergronden
en het verloop van dat proces, met nadruk op de rol van de staat in de diverse
aspecten van de minderhedenproblematiek.
2. De etnische complexiteit van Xinjiang
De minderhedenproblematiek van Xinjiang wordt vaak - niet geheel terecht -
herleid tot de tegenstelling Han (1)- Oeigoeren. In Xinjiang wonen naast de
Han 15 van de 55 door de Chinese staat erkende minderheden. (2) (tabel 1, volkstelling
van 1990), die hier evenwel niet alle kunnen worden behandeld. Negen ervan zijn
islamitisch, de grootste (islamitische) bevolkingsgroep zijn de Oeigoeren.
Tabel 1.
Bevolkingsgroep |
Aantal |
Islamitisch |
Nomaden |
Turkstalig |
| Oeigoeren |
7.194.675 |
x |
x |
x |
| Han |
5.695.626 |
|
|
|
| Kazakken |
1.106.989 |
x |
x |
x |
| Hui |
681.527 |
x |
|
|
| Kirgiezen |
139.781 |
x |
x |
x |
| Mongolen |
137.740 |
|
x |
|
| Dongxiang |
56.464 |
x |
x |
|
| Tadzjieken |
33.512 |
x |
x |
|
| Sibe |
33.082 |
|
|
|
| Mantsjoes |
18.403 |
|
|
|
| Oezbeken |
14.456 |
x |
x |
x |
| Russen |
8.082 |
|
|
|
| Daurs |
5.398 |
|
x |
|
| Tataren |
4.821 |
x |
|
x |
| Tibetanen |
2.158 |
|
|
|
| Salaren |
x |
|
|
|
3. Xinjiangs belang voor de moderne Chinese staat
Om de problematiek van de minderheden in Xinjiang te begrijpen moet eerst en
vooral worden nagegaan wat het belang is van dit gebied voor de Chinese staat.
Xinjiang beslaat een zesde van China’s territorium en Peking beschouwt het
als essentieel voor zijn veiligheid. In ‘49 grensde het aan vijf staten: de
Sovjetunie, Afghanistan, Pakistan, de Volksrepubliek Mongolie en India (Jammu
en Kashmir). Van geen enkele van deze staten ging een directe bedreiging uit.
Toch vormt Xinjiang, door de gebergtes waardoor het omringd is en doordat het
voor een groot deel woestijngebied is, een natuurlijke beveiliging en een buffer
tegen een strategische toegangsweg tot China: de Gansu-corridor. Dat strategische
belang is tijdens het conflict tussen China en de Sovjetunie en door het uiteenvallen
van de Sovjetunie alleen maar toegenomen. Drie van de vijf Centraal-Aziatische
Republieken grenzen aan Xinjiang: Kazachstan, Kirgizstan en Tadzjikistan, en
alle herbergen een of meerdere van dezelfde bevolkingsgroepen als we in Xinjiang
vinden. Onrust daar kan gemakkelijk naar China overslaan of een vluchtelingenstroom
in die richting op gang brengen.
De incorporatie van Xinjiang in China is in dit opzicht ook van nationalistisch
belang. De Chinese KP hamert voortdurend op het onrecht dat imperialistische
machten China aandeden in de 19de eeuw. Landen als Rusland, dat een flink deel
innam van het stuk Centraal-Azie dat China tot de Chinese invloedssfeer rekende
en rekent. Sedert het uiteenvallen van de Sovjetunie wedijveren naast China
zelf, verschillende machten -Turkije, Iran, Pakistan, Rusland en de VS - om
economische en politieke invloed in de Centraal-Aziatische republieken. Voor
China speelt Xinjiang daarin een belangrijke rol. China sloot reeds grensverdragen
met de aanpalende buurrepublieken en met Kazachstan werden reeds een aantal
handels- en investeringsovereenkomsten getekend. Sedert het afschaffen van de
visumplicht tussen beide landen in 1991 emigreren steeds meer Chinezen vanuit
Xinjiang naar Kazachstan -hun aantal wordt geschat op 300.000- waar ze een alsmaar
grotere greep hebben op de lokale economieen.
Xinjiang is rijk aan natuurlijke hulpbronnen, waarvan petroleum veruit de belangrijkste
is. Het belang van die petroleum is sedert de economische hervormingen (1978)
drastisch toegenomen. Een groeidende import van olie, de nakende uitputting
van de olievelden in Mantsjoerije en Shandong en de tegenvallende off-shore-olieproductie
doet Peking zijn hoop op het Tarim-bekken stellen. Dit wordt door de Chinese
machthebbers omschreven als ‘het Saudi-Arabie van Azie.’, al vallen de voorraden
nog te bewijzen. Volledige exploitatie wordt pas voorzien in 2010 maar in 1993
en 1995 werd reeds een deel van de productie in buitenlandse concessie gegeven.
De meeste olie wordt niet in Xinjiang zelf verwerkt, maar in de raffinaderijen
aan de oost- en zuidkust, ze dient dus vooral om de economische modernisering
daar te ondersteunen. Om de toekomstige productie daarheen te transporteren
wordt momenteel de langste pijplijn ter wereld aangelegd, 3500 km. Bovendien
is China betrokken bij modernisering van de olievelden in Kazachstan en ook
deze olie zal wellicht via een pijplijn doorheen Xinjiang naar de raffinaderijen
en de consumenten in China worden gebracht.
Ten slotte herbergt Xinjiang de site waar China tussen 1964 en 1996 zijn nucleaire
tests hield: Lop Nor. In die periode deed China 44 atoomproefnemingen. China
gaat nu tijdelijk -voor tien jaar - akkoord om af te zien van zijn recht op
vreedzame nucleaire proeven. Over de gevolgen van deze proeven is wegens het
niet toelaten van onafhankelijk onderzoek weinig geweten.
4. Pre-communistisch Xinjiang
Het gebied dat nu de naam Xinjiang draagt, behoorde niet altijd tot het Chinese
territorium. Het huidige Xinjiang werd pas in de tweede helft van de 18de eeuw
gedurende de Qingdynastie (1644-1911), als militaire kolonie, voor de eerste
keer ingelijfd in het Chinese rijk. Deze inlijving betekende het begin van de
Han-migratie van soldaten, functionarissen, handelaars, armere boeren en hun
families. Conflicten en rebellieen gevoed door corruptie, belastingsdruk en
een toenemende Han-migratie waren eerder regel dan uitzondering. Heel de toenmalige
noordwestelijke moslimregio van China werd ooit beschreven als het meest rebelse
gebied van het Qingrijk. In 1864 wist de moslimrebel Yakub Beg het gebied te
onttrekken aan de keizerlijke controle en riep hij zich uit tot emir van Kasgharia.
De Qing-troepen heroverden Kasgharia in 1877 en noemden het in 1884 de Chinese
provincie Xinjiang of ‘nieuwe grens.’ Zwak centraal bestuur maakte Xinjiang
zo goed als autonoom, waarbij de macht in handen was van de plaatselijke Mantsjoe-
en Han-Chinese militaire en burgerlijke functionarissen.
Ondertussen streefden ook Rusland en Engeland in het kader van ‘The Great Game’
naar invloed in de regio. Rusland was bezig met een expansie in Centraal-Azie
en Engeland was bezorgd over de dreiging die deze expansie teweegbracht voor
zijn koloniale heerschappij in India. Rusland won het pleit en slaagde erin
om verschillende diplomatieke, commerciele en territoriale concessies te verkrijgen
van het Chinese rijk.
Na de revolutie van 1911 en het uiteenvallen van China werd Xinjiang gecontroleerd
door verschillende krijgsheren, zowel Han-Chinezen als moslims. Onderlinge strijd
en moslimopstanden waren aan de orde van de dag. In deze periode werd tweemaal
- in 1933 en in 1944 - een onafhankelijke Oost-Turkestaanse Republiek (OTR)
gesticht in deelgebieden van Xinjiang. De Russische invloed nam na de revolutie
van 1917 drastisch toe: eerst door het beroep dat een van de krijgsheren op
de Sovjetunie deed om zijn machtspositie te verstevigen en later door controle
van de pro-sovjet politieke elite van de tweede OTR die aan de sino-sovjetgrens
was gevestigd.
In 1942 werd het gebied opnieuw officieel deel van China, zij het dat de centrale
controle in heel China door de burgeroorlog en de oorlog met Japan sowieso beperkt
was en dat de tweede OTR ondertussen bleef bestaan.
In 1949 werd Xinjiang ingelijfd in de Chinese volksrepubliek.
5 Etnogenese van de Oeigoeren.
De meeste etnoniemen en de opdelingcriteria voor de verschillende islamitische
bevolkingsgroepen in Xinjiang zijn een recent gegeven en werden ontleend aan
het identificatieproces in de Sovjetunie in de jaren ‘20. Voordien gebruikten
de minderheden deze etnoniemen veelal niet zelf en was er helemaal geen sprake
van een coherente groepsidentiteit bij de respectievelijke minderheden. De Oeigoeren
zijn daarvan een sprekend voorbeeld: hun etnoniem was gedurende meer dan 500
jaar in onbruik, tot het in de jaren ‘20 in de Sovjetunie opnieuw werd ingevoerd.
De oorspronkelijke Oeigoeren waren een nomadisch steppevolk dat samen met andere
nomadische groepen het Tweede Turkse Kanaat (552-744) versloeg en vervolgens
het Oeigoerse koninkrijk stichtte in de huidige Mongoolse Republiek. Deze sjamanisten
bekeerden zich na het verblijf van hun heerser in de toenmalige Chinese hoofdstad
Luoyang tot het manicheisme, dat tot staatsreligie werd verheven. Het Oeigoerse
koninkrijk werd in 840 door de nomadische ‘Kirgiezen’ veroverd, waarop een driesporige
diaspora ontstond . Een eerste tak assimileerde zich in de noordelijke Han-bevolking,
een tweede vestigde zich in de huidige provincie Gansu en wordt nu geidentificeerd
als de Yoegoer - deze etnie leunt nog het dichtst aan bij de oorspronkelijke
Oeigoerse cultuur. De derde tak verspreidde zich over de oases rond het Tarim-bassin
en in Turfan werd de Oeigoerse stadstaat Khocho (850-1250) gesticht. Door hun
vestiging langs de zijderoute kreeg het boeddhisme een prominente plaats toegewezen
in de religieuze leefwereld van de Oeigoeren.
Tussen de 10de en de 16de eeuw werd het huidige Xinjiang geleidelijk aan geislamiseerd,
waarbij de naar hun vroegere boeddhistische-manicheistische identiteit verwijzende
term Oeigoer in onbruik raakte. Toen ook de laatste gemeenschap - die van de
oase Turfan - zich bekeerde, hield die term voor vijfhonderd jaar op te bestaan.
De bevolking van de oases refereerde voortaan hoofdzakelijk aan hun plaats van
afkomst: Kasgharlik, Turfanlik, Kothanlik, Aksulik, ..... Deze identificering
is nog wijdverspreid onder de ‘Oeigoerse’ migranten die in de jaren ‘40 naar
Turkije trokken.
Het etnoniem Oeigoer werd in 1921 opnieuw geintroduceerd op een congres over
het Sovjet-nationaliteitenbeleid in Tasjkent. Voortaan zou dit etnoniem de Turks-islamitische
sedentaire bevolking van het Tarim-bassin aanduiden en hun in de Sovjetunie
levende verwanten. Een pro-sovjet krijgsheer introduceerde het etnoniem in de
jaren ‘30 opnieuw in Xinjiang en de Chinese KP nam het bij de stichting van
de Volksrepubliek China over.
Het raakte bij de ‘Oeigoeren’ zelf ingeburgerd door het voortdurende officiele
gebruik bij volkstellingen en andere registraties. Voor de Oeigoeren zelf was
de term welkom om er zich als moslims mee te onderscheiden van de niet-moslims,
als ‘autochtone’ bevolkingsgroep van de inwijkelingen - hoofdzakelijk Han maar
tevens de islamitische Hui -, als sedentaire bevolking van de nomaden en als
Turkstalige groep van de niet-Turkstalige bevolkingsgroepen. Maar de uiteindelijke
kristallisering van de Oeigoeren als etnie kwam er door de grote omvang van
de Hanmigratie naar Xinjiang en de ermee gepaard gaande assimilatiedruk; de
socio-economische strijd tussen minderheden en migranten en minderheden onderling;
de beperkte etno-religieuze liberalisering sedert de economische hervormingen
na ‘78; de desondanks blijvende discriminatie en repressie; de grotere reismogelijkheden
binnen Xinjiang en de contacten met Oeigoerse ballingen in de Centraal-Aziatische
republieken.
Desondanks zijn er nog grote interne tegenstellingen. Geografische bijvoorbeeld:
de Oeigoeren van de oase Kasghar vinden dat zij veel meer van de traditionele
‘Oeigoerse’ tradities hebben bewaard dan de Oeigoeren van Turfan, dat een grote
Han-invloed kent. Of sociologische: tussen de stedelijke Oeigoeren die omwille
van de sociale mobiliteit bereid zijn de Han-taal aan te leren en als verraders
worden bestempeld door de meer conservatieve, rurale Oeigoeren.
6. Integratie van territorium en minderheden
Het grote belang van Xinjiang maakt dat China nu reeds 48 jaar poogt om deze
regio definitief te integreren in de Chinese staat. Daarvoor wordt een dubbele
strategie aangewend: enerzijds een massale migratie van Han-Chinezen naar de
regio en anderzijds een minderhedenbeleid dat door de jaren heen varieerde van
accommodatie tot assimilatie.
6.1 Migratie
Een belangrijk instrument voor de controle over, en de politieke en economische
integratie van Xinjiang in China is de hervestiging van Han-Chinezen uit de
dichtbevolkte gebieden. In Xinjiang woonde op de vooravond van de communistische
machtsovername immers amper 1% van China’s totale bevolking op 1/6de van het
grondgebied. Sedert 1949 is van de vijf autonome regio’s de Han-bevolking in
Xinjiang het meest toegenomen. In 1949 behoorde de meerderheid van de bevolking
tot de lokale ‘minderheden’, hoofdzakelijk Oeigoeren en Kazakken. Terwijl de
Han in Xinjiang in 1949 6,71% van de bevolking uitmaakten, was dit bij de jongste
volkstelling van 1990 37,58%. (Voor de evolutie van de Oeigoerse, Kazachse en
Han-bevolking zie tabel 2). (3) In deze cijfers zijn de in Xinjiang gestationeerde
troepen niet inbegrepen.
Tabel 2.
Nationaliteit |
1949 |
1953 |
1964 |
1982 |
1986 |
1990 |
| Oeigoeren |
3.291.145 |
3.607.609 |
3.991.577 |
5.955.947 |
6.431.015 |
7.194.675 |
| |
(75,95%) |
(75,42%) |
(54,91%) |
(45,48%) |
(46,48%) |
(47,47%) |
| Kazakken |
443.655 |
506.390 |
489.261 |
903.335 |
1.010.543 |
1.106.989 |
| |
(10,24%) |
(10,59%) |
(6,73%) |
(6,91%) |
(7,30%) |
(7,30%) |
| Han |
291.021 |
332.126 |
2.321.216 |
5.286.532 |
5.386.312 |
5.695.626 |
| |
(6,71%) |
(6,94%) |
(31,93%) |
(40,41%) |
(38,93%) |
(37,58%) |
Een essentieel kanaal van de Han-migratie was het Productie- en Constructiekorps
(PCC). Dit was een civiel-militaire organisatie die aanvankelijk bestond uit
gedemobiliseerde soldaten van zowel het Volksbevrijdingsleger, de Nationalistische
Troepen en het kleine leger van de gewezen onafhankelijke OTR. Officieel diende
dit korps de regio te moderniseren door middel van landwinning, irrigatie, de
oprichting van staatsboerderijen en fabrieken, wegen- en spoorwegconstructie,
mijnbouw, enz... Op het platteland, waar de partij zwak stond, was het een verlengstuk
van de CCP.
Naast deze civiele functies had het PCC ook een militaire en veiligheidsfunctie,
zoals mag blijken uit zijn motto: ‘een geweer op een schouder en een schop op
de andere.’ In deze hoedanigheid diende het als reserveleger voor de grensverdediging
en bij interne onlusten.
Vanaf 1954 rekruteerde het korps d.m.v. verbindingskantoren in de Han-gebieden
technisch geschoold personeel. Vanaf dan steeg het aantal migranten gestaag.
De aanleg van een spoorweg die Urumqi, Xinjiangs hoofdstad, aansloot op het
nationale spoornet, bevorderde verder de migratie.
Tegen 1961 hadden de boerderijen van het PCC de controle over 1/3de van de landbouwgronden.
Hoeveel land de niet in het PCC georganiseerde migranten controleerden is niet
duidelijk. Wel stelden sommige migranten na de hervormingen dat niet enkel land
werd herwonnen, maar dat soms de vruchtbaarste grond van de lokale bevolking
werd afgenomen om daarop de migranten te vestigen.
Tegen de tweede helft van de jaren ‘80 bestond ongeveer de helft van de Han-bevolking
in Xinjiang uit werknemers van de PCC en hun familieleden en het PCC was verantwoordelijk
voor de helft van de katoenproductie van de regio, voor een kwart van de graanproductie
en voor ongeveer 20% van Xinjiangs BBP. Anno 1997 is het PCC samen met eveneens
door de Han gecontroleerde en op tewerkstellingsvlak gedomineerde oliemaatschappijen
goed voor ongeveer 40 % van Xinjiangs industriele productie.
Het PCC is ook verantwoordelijk voor de strafkampen in Xinjiang. Langdurig
veroordeelden worden tewerkgesteld in de uraniummijnen, de landbouw of bij de
aanleg van wegen. Vaak blijven de veroordeelden na hun straf in Xinjiang tewerkgesteld.
Een andere oorzaak van de Han-migratie naar Xinjiang waren de financiele en
andere stimulansen. Sinds de economische hervormingen moedigde de overheid de
migranten aan door het uitbetalen van ‘smartgeld,’ waardoor de lonen in deze
regio vaak dubbel zo hoog lagen als in de Han-gebieden, en door het voorzien
van woningen.
In de tweede helft van de jaren ‘80 en in de jaren ‘90 kwam een nieuwe ‘illegale’
en niet in de censuscijfers verwerkte migratiestroom naar Xinjiang op gang:
de zogenaamde ‘vlottende bevolking.’ Rurale surplusarbeiders ontvluchtten in
iedere provincie het platteland op zoek naar werk in de steden, ook naar die
in Xinjiang. De aanwezigheid van militairen, het PCC en andere migranten bezorgt
deze migranten een belangrijk clienteel voor hun economische bedrijvigheid:
kleine restaurants, informele sector en fietstaxi’s.
6.2 Minderhedenbeleid
Minderhedenbeleid 1949-76: van accommodatie naar assimilatie
Het minderhedenbeleid daar van Xinjiang is evengoed als dit van China in zijn
totaliteit onderhevig geweest aan de politieke turbulenties tijdens de maoistische
periode. Soms werden de campagnes in Xinjiang vanwege het strategische belang
van het gebied iets trager of iets minder hevig doorgevoerd, maar de grote lijn
blijft. Een overzicht.
Net na ‘49 werd in Xinjiang een gematigd beleid gevoerd: de landhervormingen
werden er trager doorgevoerd dan in de Han-gebieden. Wel werd de macht van de
moskeeen ondermijnd door hun grond te herverdelen en de juridische functies
van de qadi (islamitische rechters) over te dragen aan de volksrechtbanken.
Het grondwettelijk recht op religieuze vrijheid werd voortdurend benadrukt,
maar onafhankelijke religieuze instituten waren uit den boze. De religieuze
elite werd gecoopteerd in de Islamitische Vereniging van China, een organisatie
die eerder diende voor overheidscontrole over de moslims dan voor groei en verspreiding
van het geloof. De vroegere politieke elite werd eveneens gecoopteerd: ze kreeg
functies toegewezen in de staatsorganen. In 1955 verkreeg Xinjiang het statuut
van Oeigoer Autonome Regio, met daarbinnen autonome prefecturen, districten
en gemeentes voor de niet-Oeigoerse minderheden. Maar aangezien de werkelijke
macht bij de parallel uitgebouwde partijstructuren ligt en de minderheden daarin
veel minder vertegenwoordigd zijn, is autonomie altijd fictie gebleven.
De Honderd Bloemen-campagne (1956-57) - waarbij de partij opriep tot kritiek
op haar werk - opende de doos van Pandora. De Oeigoerse kritiek richtte zich
op het ‘groot Han-chauvinisme’, de weigering van de overheidsdiensten om Oeigoers
te gebruiken, de betekenisloosheid van autonomie ,enz ... De kaderleden onder
de minderheden werden als verraders bestempeld, de partij werd ervan beschuldigd
de minderheden en de religie te willen uitroeien, sommigen riepen op tot vereniging
met hun volksgenoten in de Sovjetunie en er werd gepleit voor de stichting van
een nieuwe OTR.... Op die kritiek werd -net zoals in de rest van China - gereageerd
met de Campagne Tegen Rechts (1957), die zich in Xinjiang voornamelijk richtte
tegen het ‘lokaal nationalisme’: prominente leden van de Xinjiangse minoriteitenelite
werden veroordeeld tot hervorming door arbeid in de strafkampen.
Tijdens de Grote Sprong Voorwaarts (1958-61) begon een openlijk assimilatiebeleid.
Dit had met de doelstellingen van de Grote Sprong Voorwaarts te maken: productieverhoging
door een doorgedreven collectivisering, een uniforme organisatie van de samenleving
en een vereenvoudigde administratie, doelstellingen die geen accommodatie van
de minderheden toeliet. Ook in Xinjiang werden communes opgericht en de rurale
markten en de stedelijke bazaars gesloten. Religie was uit den boze en de deur
van de moskeeen ging op slot. Alle uitingen van een eigen cultuur - festivals,
rituele slachting, traditionele kledij - werden bestempeld als decadent en negatief
voor de productie. Turkstalige minderheden kregen een uniform schrift op basis
van het Latijnse alfabet, de incorporatie van het Han-vocabularium werd gepromoot
als een moderniserend instrument. Officieel moesten deze maatregelen de alfabetisering
vergemakkelijken, maar het onderliggende motief was de ondermijning van de invloed
van de islam.
De reacties bleven niet uit. Wijdverspreide demonstraties escaleerden in kleine
revoltes, het leger had 2 maanden nodig om die onder controle te brengen. Er
kwam een vluchtelingenstroom op gang naar de Sovjetunie. 70.000 mensen, vooral
Kazakken maar ook Oeigoeren, staken de grens over, aangemoedigd door Moskou
dat hen als propaganda-instrument gebruikte in de verslechterde relaties met
China.
Na de Grote Sprong Voorwaarts volgde in heel het land een periode van matiging.
In het minderhedenbeleid vertaalde dit zich in een publieke veroordeling van
de geforceerde assimilatie. De religie werd weer toegelaten, zij het strikt
gecontroleerd: moskeeen bleven gesloten, begeleide aanbidding onder toezicht
van partijkaderleden werd wel toegelaten.
Tijdens de Culturele Revolutie (1966-’76) vierde de radicale assimilatiepolitiek
weer hoogtij. Nationalistische leiders onder de minderheden werden bestempeld
als reactionaire klassevijanden. Hanleiders die een gematigd beleid voorstonden
jegens minderheden, werden beschuldigd van capitulatie voor de decadente gebruiken
van die minderheidsgroepen. Net zoals in de rest van China werden de Vier Ouden
-oude manieren van denken, oude cultuur, oude gebruiken en oude gewoontes- in
Xinjiang door de Rode Gardes aangevallen. De lokale leiding probeerde hen te
temperen uit vrees voor onstabiliteit aan de grens, maar slaagde daar slechts
gedeeltelijk in. Ze kon immers niet verhinderen dat de Rode Gardes moskeeen
plunderden of vernietigden en religieuze geschriften als de Koran openbaar verbrandden.
Na de Culturele Revolutie doken ook getuigenissen op van moslims die varkens
moesten kweken of gedwongen werden tot het eten van varkensvlees.
In de tweede helft van de Culturele Revolutie (1971-76) keerde in heel China
de rust grotendeels terug. De radicale aanvallen op de cultuur van minderheden
werd gestopt. Maar door de aanhoudende ‘linkse’ koers bleven de minderheden
wel in de vuurlinie liggen. In Xinjiang werden de Oeigoerse intellectuelen onderworpen
aan indoctrinatiesessies tegen ‘lokaal nationalisme’, tegen de ‘pro-Sovjet-tendensen’
en tegen de ‘oude ideeen en oude gewoontes’.
Beleid na 1976: een gecontroleerde liberalisering
De officiele houding tegenover de minderheden en tegenover de islam werd toleranter
na de Culturele Revolutie. Maar pas met het doorvoeren van de economische hervormingen
onder Deng Xiaoping (1978) ging de pendel opnieuw richting accommodatie. De
redenen hiervoor zijn veelvoudig. Ten eerste stond de economie door de radicale
linkse experimenten aan de rand van de afgrond. De bevolking - minderheden en
Han-Chinezen - waren de talrijke politieke campagnes grondig beu en verlangden
naar stabiliteit en welvaart, de communistische partij zocht met de Vier Moderniseringen
naar een nieuwe legitimiteit. Ideologie en klassestrijd moesten wijken voor
economische rationaliteit, het rode boekje werd vervangen door de imperatieven
van de markt.
Onderdrukking van de cultuur en van de religie van de minderheden was niet
wenselijk in een streven naar economische groei en welvaart. Bovendien waren
de minderheden een troef in de uitbouw van China’s toeristische sector, een
belangrijke bron van buitenlandse valuta. ‘Exotische’ minderheden langs Xinjiangs
Zijderoute, bijvoorbeeld, sier(d)en menig kleurige toeristische brochure.
De ‘tolerantere’ houding jegens de islamitische bevolkingsgroepen werd tevens
bepaald door China’s internationale aspiraties. Peking wou immers betere economische
en politieke banden met de moslimlanden. Aanvankelijk als tegenwicht tegen de
groeiende invloed van de Sovjetunie in het Midden-Oosten, maar later vooral
om investeringen aan te trekken uit die regio’s en er handel mee te drijven
- denk maar aan de uiterst lucratieve wapenexport en constructiearbeid. Tevens
streefde China naar een diplomatieke erkenning van die moslimlanden die Taiwan
nog als legitieme vertegenwoordiger van China beschouwden.
De overheid in Xinjiang trok eveneens de islamitische kaart. Hervormingsgezinde
Han-Chinese economisten lanceerden daar het concept van de ‘Grote Islamitische
Cirkel.’ Steunend op de etnische en religieuze banden van Xinjiangs moslims
met Centraal-Azie en het Midden-Oosten, wilden zij eerst de grenshandel en later
de handel met het Midden-Oosten stimuleren.
Toch gaat het slechts om een gecontroleerde liberalisering. Peking wilde geenszins
dat de islam en het etnisch bewustzijn in die mate bloeiden dat ze tot onrust
of separatisme leidden, gezien het grote belang van Xinjiang voor de Chinese
staat. De relaties met de moslimlanden lieten dan wel geen verbod op de islam
toe of het dwingen van moslims tot het kweken van varkens, maar een fundamentele
solidariteit moesten de Oeigoeren niet verwachten. De delegaties uit het Midden-Oosten
waren al vlug gepaaid met enige windowdressing, een islamitische opsmuk van
de overheidsgebouwen in Urumqi bijvoorbeeld.
Concreet hield die gecontroleerde liberalisering in dat de partij het op de
klassetheorie gebaseerde assimilatiestreven van Culturele Revolutie als nonsens
bestempelde en de wegens hun geloof of ‘lokaal nationalisme’ veroordeelde leiders
van de minderheden rehabiliteerde. De autonomie van minderhedengebieden werd
in wetten vastgelegd. Die stellen o.a. dat in autonome regio’s, prefecturen,
gemeentes, enz ... de leidinggevende functies door de minderheden moeten worden
uitgeoefend. De rekrutering van minderheden voor overheidsfuncties werd opgedreven.
In Xinjiang steeg tussen 1978 en 1988 het percentage minderheden in overheidsfuncties,
volgens officiele verklaringen, van 29% naar 45%. Maar de autonomie is enkel
nominaal: de parallelle partijorganen blijven de werkelijke macht uitoefenen.
Bovendien betreft de autonomie enkel culturele en onderwijsmateries - en dan
nog (zie verder) - en blijft politieke of economische autonomie een dode letter.
Terzelfder tijd holt de Han-migratie de beperkte autonomie steeds verder uit
en leidt ze tot een indirecte assimilatie.
Deze liberalisering betekende ook dat de grondwettelijke religieuze vrijheid
in ere werd hersteld. De tijdens de Culturele Revolutie beschadigde of vernietigde
moskeeen werden - vaak met overheidssubsidies - gerestaureerd. Tegen 1988 waren
in Xinjiang 24.000 moskeeen opnieuw toegankelijk. Sedert 1982 rollen opnieuw
Arabische edities van de Koran van de drukpers. Religieuze scholen en de Hadji
- de pelgrimstocht naar Mekka - konden weer. Maar daar staat tegenover dat het
onderscheid tussen ‘normale’ en ‘illegale’ religieuze activiteiten blijft bestaan.
Dit laatste verwijst naar die religieuze activiteiten die een politieke connotatie
hebben als het streven naar separatisme of het oproepen tot verzet tegen de
heerschappij van de partij. De partij beslist arbitrair wat ‘normaal’ is en
wat ‘illegaal.’ Onafhankelijke religieuze organisaties zijn verboden, de Chinese
Islamitische Organisatie en het Bureau voor Religieuze Zaken pogen het geloof
binnen de door de partij uitgetekende grenzen te houden. De opleiding en benoeming
van het religieus personeel staat onder strikt toezicht. En terwijl moslimstudenten
wel wetenschappen mogen studeren aan de Cairo-universiteit wordt op de aanbieding
van de beurzen voor religieuze studies aan de Al Azhar Islamitische Universiteit,
na een keer in 1981, niet langer ingegaan.
Een andere uiting van de versoepeling betreft het onderwijs. De latinisering
van het Arabische schrift werd afgeschaft. Het onderwijs voor de grootste minderheden
wordt weer in hun eigen taal gevoerd, zeker voor het lager onderwijs. Maar terzelfder
tijd blijft het Han-Chinees de taal van sociale mobiliteit. Met andere woorden:
wie niet bereid is om die taal te leren heeft een grote kans op werkloosheid.
Bovendien is het onderwijs gebaseerd op het gecentraliseerde officiele Han-curriculum.
De Oeigoerse geschiedenis in het officieel onderwijs stopt in de 15de eeuw,
voor de volledige islamisering van Xinjiang en voor de incorporatie in het Chinese
rijk. De traditionele geschiedenis en cultuur moeten via privaat onderwijs worden
doorgegeven. Voor de kleinere islamitische minderheden zijn overigens geen taalregelingen
getroffen. De Perzischsprekende Tadjzieken, bijvoorbeeld, hebben de keuze tussen
onderwijs in het Oeigoers of in het Chinees.
De minderheden in Xinjiang werden aanvankelijk vrijgesteld van het een-kind-beleid.
Vanaf 1988 werden er wel enkele restricties ingevoerd: in stedelijke gebieden
2 kinderen per gezin, in rurale gebieden 3. De vrees voor onrust over dit -
ook bij de rurale Han-bevolking - uiterst gevoelige thema weerhoudt de overheid
van een volledige gelijkschakeling op dit vlak.
7. Ongecontroleerde etno-religieuze heropleving en repressie
De poging tot een gecontroleerde etno-religieuze liberalisering bleek al vlug
een illusie. Op het moment dat de overheid de restricties begon te lossen, zag
ze zichzelf geconfronteerd met een aantal erfenissen uit het verleden. Vooreerst
is er de voorgeschiedenis van verzet tegen de Han-dominantie.Yakub Beg, de rebel
die een tijdlang Xinjiang uit de handen van de Qing-dynastie kon houden, is
voor de meeste Oeigoeren een volksheld. Ten tweede was er de repressie uit de
voorafgaande periode die het ongenoegen van de lokale bevolking over de Han-dominantie
nog verder had versterkt. Bovendien loste de beperkte liberalisering een aantal
redenen van het ongenoegen helemaal niet op: de Han-dominantie en -migratie
en de socio-economische gevolgen daarvan.
Die socio-economische gevolgen zijn talrijk. Sommige kwamen reeds aan bod bij
het behandelen van de migratie en de gecontroleerde liberalisering, we sommen
er hier kort nog enkele andere op: de discriminatie van - zelfs de Chinees opgeleide
- Oeigoeren op de arbeidsmarkt of bij de huisvestiging in de nieuwe residentiele
buurten; het verschil in levensstandaard tussen de Han en de lokale bevolking;
het inpalmen van de centra van de gemeenten en steden door de Han; de concurrentie
in de landbouw tussen Han en Oeigoeren; de volledige controle van de olieproductie
door de Han; de vrees dat de Oeigoerse cultuur door de Han-migratie met uitsterven
wordt bedreigd; de -nog niet onderzochte- ecologische gevolgen van de nucleaire
tests; ...
Het aantal demonstraties is dan ook sterk toegenomen en wordt gewelddadiger.
Voor zover de beperkte informatie toelaat om er definitieve uitspraken over
te doen, is het protest vooral een reactie op het ervaren onrecht en richt het
zich vooral tegen de aanwezigheid van de Han.
Het laatste jaar lijkt een radicalisering plaats te grijpen: moordpartijen
op Oeigoerse functionarissen en religieus personeel dat voor de overheid werkt,
aanslagen op Han-militairen en militaire voertuigen, sabotage van de infrastructuur
als spoorwegen, de drievoudige bomaanslag in Urumqi begin dit jaar.
De Oeigoerse nationalistische beweging is vooralsnog weinig georganiseerd en
het ontbreekt haar aan een duidelijk leidersfiguur. Bovendien is ze verdeeld
over de eisen: reele autonomie of de stichting van een onafhankelijk Oost-Turkestan.
Volgens de meeste waarnemers is de eis tot onafhankelijkheid voorlopig nog niet
wijdverspreid.
Ook de religie heeft haar plaats in de groeiende onrust. Een deel van de moskeeen
zijn, net als elders in Centraal-Azie, centra van ‘illegale’ politieke activiteit,
hoofdzakelijk anti-Han-agitatie, met de islam als drager. De Oeigoerse nationalistische
organisaties haasten zich wel om te verklaren dat het hier zeker geen fundamentalistische
beweging betreft en benadrukken het feit dat de Oeigoeren hoofdzakelijk soennieten
zijn, de islam niet uiterst strikt beleven en dat in een onafhankelijk Oost-Turkestan
religie en politiek strikt zouden worden gescheiden.
Aan de ongecontroleerde etno-religieuze heropleving zitten ook een aantal internationale
factoren vast. Op het gevaar af de Chinese overheid te volgen in het bijna eenduidig
toeschrijven van de agitatie en het geweld aan buitenlandse krachten geven we
toch een overzicht ervan.
Door het openen van de grenzen voor de grenshandel en door de verbeterde transportmogelijkheden
zijn de contacten van de moslims in Xinjiang met de Turkse en islamitische wereld
buiten China veel gemakkelijker geworden. Oeigoerse onafhankelijkheidsorganisaties
zijn in Turkije, Kazachstan, Tadzjikistan en Kirgizstan actief. De drievoudige
bomaanslag in Urumqi op de dag van de begrafenins van Deng Xiaoping - 25 feburari
- werd opgeeist door Oeigoerse nationalisten in Kazachstan, als vergelding voor
de hardhandige onderdrukking van de protesten in Yining eerder die maand.
De opleiding aan de Al Azhar Islamitische Universiteit van een deel van de
Oeigoerse religieuze elite wordt door de Wereld Moslim Liga gefinancierd of
door familieleden uit Saudi-Arabie en Turkije. Bij hun terugkomst kunnen zij
zeker een fundamentele invloed uitoefenen op moslims binnen Xinjiang. Dezen
zijn bijna drie decennia lang van islamitisch onderricht verstoken gebleven
of krijgen alleen de officiele versie te horen. De afkeer bij velen van de Chinese
autoriteiten of van moslims die ervoor werken maakt hen ontvankelijk voor de
‘zuivere’ ideeen van de teruggekeerden. Bovendien hebben predikers uit Saudi-Arabie
en Pakistan een voet aan de grond in de moskeeen van Xinjiang en stellen buitenlandse
islamitische organisaties fondsen ter beschikking voor de bouw en het herstel
van moskeeen, voor het oprichten van koranische scholen en voor het importeren
van religieus materiaal..
Een rapport van de Academie van Sociale Wetenschappen van Xinjiang uit 1991
beschuldigde moslimseparatisten van infiltratie in Xinjiang d.m.v. literatuur,
video’s en radio-uitzendingen en van het gebruik van koranische scholen als
een dekmantel voor politieke indoctrinatie. Enkele maanden later hielden de
autoriteiten in Xinjiang een doorlichting van het professioneel religieus personeel
en ontsloeg 10% van hen uit hun door de overheid aanvaarde functies.
Reactie van de overheid
Vanwege het strategische belang van Xinjiang en de aanwezigheid van petroleum
voert China een harde repressie tegen de ‘separatisten’ en tegen de ‘illegale’
religieuze activiteiten. Het aantal arrestaties en executies is de laatste jaren
opgedreven. In Xinjiang richtte de campagne tegen criminaliteit - de Sla Hard
Campagne - zich vooral op de zogenaamde ‘separatisten.’
Ook worden opnieuw religieuze beperkingen opgelegd en een aantal maatregelen
uitgevaardigd die de contacten tussen moslims van Xinjiang en de moslimwereld
buiten China moeten inperken. Ontmoetingen tussen de religieuze leiders in Xinjiang
en buitenlanders zijn verboden, Arabische leraars mogen niet langer les geven
aan het Theologische seminarie van Urumqi dat in 1987 werd gesticht met Saudi-Arabische
fondsen. Studeren in Pakistan en Iran is verboden. Om jonge moslims weg te houden
van eventueel ‘fundamentalistische’ beinvloeding mogen alleen nog moslims van
ouder dan 50 jaar de pelgrimstocht naar Mekka ondernemen. Op verschillende plaatsen
werd reeds een bouwstop op moskeeen afgekondigd, illegale moskeeen en koranische
scholen worden gesloten of afgebroken.
Vooruitzichten
De meeste waarnemers betwijfelen of de oproepen tot separatisme van Oeigoerse
afscheidingsbewegingen in Xinjiang zelf of over de grens een zeer breed draagvlak
hebben. Van een ware nationalistische beweging is - zoverre de beperkte informatie
toelaat om daar gegronde uitspraken over te doen - nog geen sprake. De protesten
blijven hoofdzakelijk een reactie op het ervaren onrecht. Dit onrecht vormt
wel een geschikte voedingsbodem voor de etno-religieuze agitatie. In tegenstelling
tot Tibet ontbreekt het de moslims in Xinjiang vooralsnog aan een duidelijke
leidersfiguur en het is zeer de vraag of de etnische verschillen tussen Oeigoeren,
Kazakken, Tadzjieken enz, die door 48 jaar bewind van de Chinese KP nog vergroot
zijn, en de nog steeds grote onderlinge tegenstellingen binnen de Oeigoerse
etnieen zelf, een eenheidsbeweging mogelijk maken.
De Chinese overheid antwoordt bovendien met een niet aflatende repressie. Niet
alleen de olie en het strategische en nationalistische belang zijn daar de redenen
voor. De aanwezigheid van meer dan 5.000.0000 Chinezen maakt dat geen enkele
Chinese leider het zich kan permitteren om dit deel van China niet binnen China
te houden.
Het ziet er naar uit dat Xinjiang de volgende jaren het toneel zal worden van
een conflict van lage intensiteit en wellicht van toenemend geweld en een groter
aantal aanslagen. De olie-installaties kunnen hierbij een uiterst geschikt doelwit
vormen. De meerderheid van de bevolking zit hierdoor geklemd tussen een repressieve
overheid en een kleine maar radicaliserende afscheidingsbeweging.
Beknopte literatuurlijst:
BECQUELIN, Nicolas: ‘Tensions interethniques et pauvrete endemique’; in Perspectives
Chinoises 1-2/1997; p.19-28
DANZIGER, Nicholas: ‘Uighurs Stumble at the Crossroads of Survival’; in Far
Eastern Economic Review 29/8/1985; p.32-35
DREZER, June Teufel: ‘The PLA and Regionalism in Xinjiang’; in Richard H.Yang
et.al. ed.: Chinese Regionalism, The Security Dimension; Boulder, Colorado;
Westview Press; 1994; p.249-276
‘The Islamic Community of China’; in: Central Asian Survey 11/1982; p.31-60
‘The Xinjiang Uygur Autonomous Region at Thirty: A Report Card’; in: Asian
Survey 7/1986; p.721-744
Far Eastern Economic Review 25/8/1988; p.28-31: ‘Incomplete integration’; ‘Construction
Corps at work’; ‘Peking blows hot and cold’; ‘Restoration period’;
FOURNIAU, Vincent: ‘Pekin face au mouvement national ouighur’; in Le Monde
Diplomatique 11/1997; p.10
GLADNEY, Dru C.: ‘The Ethnogenesis of the Uighur’; in Central Asian Survey
1/1990; p.1-28
Transnational Islam and Uighur National Identity’; in Central Asian Survey
3/1992; p.1-21
HARRIS, Lillian Craig: ‘Xinjiang, Central Asia and the Implications for China’s
Policy in the Islamic World’; in The China Quarterly 3/1993; p.111-129
HOPPE, Thomas: ‘Die chinesische Position in Ost-Turkestan/Xinjiang’; in CHINA
aktuell 6/1992; p.358-365
MACKERRAS, Colin: China’s Minorities, Integration and Modernization in the
Twentieth Century; Hong Kong; Oxford University Press; 1994
McMILLEN, Donald H.: Chinese Communist Power and Policy in Xinjiang, 1949-1977;
Boulder, Colorado; Westview Press; 1979
‘Xinjiang and the Production and Construction Corps: a Han Organisation in
a non-Han Region’; in: The Australian Journal of Chinese Affairs 6/1981; p.65-96
ROSSABI, Morris: China and Inner Asia, From 1368 to the Present Day; New York;
Pica Press; 1975
Informatie over de recente onlusten kan worden gevonden in o.a.: Liberation
28/2/1997; p.6 6/3/1997 p.8; 21/3/1997 p.10 13/5/1997 p.10
Noten
1. De Han is wat men hier als etnische Chinezen beschouwt. De term Chinees
(Zhongguoren) heeft in China echter een staatrechtelijke betekenis en slaat
op alle inwoners van de Volksrepubliek China. Daarbij horen ook de minderheden.
Dus de Oeigoeren en Tibetanen zijn in die zin evenzeer Chinees als de Han, hoezeer
sommigen onder hen dit liever niet zouden zijn.
2. Bij de etnische identificatie in de jaren ‘50 werden door ongeveer 400 verschillende
groepen het statuut van minderheid aangevraagd. 55 werden er tot nu toe erkend,
de anderen werden opgedeeld bij een van die 55 of bij de Han-minderheid.
3. De lichte daling in procenten in 1986 en 1990 komt wellicht voort uit de
verschillen in de geboortebeperkingspolitiek. Wel mag men zich niet blindstaren
op de officiele cijfers. In de jaren ‘80 en 90 kwam in heel China een ‘illegale’
migratiestroom van rurale werklozen naar de steden op gang, ook naar de steden
in de minderhedengebieden.
De auteur is sinoloog verbonden aan de vakgroep Studie van de Derde Wereld Universiteit Gent.
Artikelen op thema: