Blonde mummies uit Xinjiang
Autor:
Dirk van Delft
(
)
Datum:
10/03/2004
De categorie:
Nieuws
Prehistorische
bewoners van West-China waren blanken
In de Takla-Makan- woestijn in Chinees Turkestan zijn zeer goed bewaarde
mummies gevonden, gehuld in kleurige kledij. Ze zijn tot 4000 jaar oud en zien
er 'Europees' uit. Wie waren ze en waar kwamen ze vandaan?
Dirk van Delft
TOEN DE sinoloog Victor Mair in de zomer van 1988 op een van zijn archeologische
trektochten door West-China weer eens het museum in Urumqi bezocht, wachtte
hem een daverende verrassing. Aan het eind van de afdeling archeologie was een
nieuwe zaal ingericht en toen Mair de gordijnen opzij schoof en de slecht verlichte
ruimte binnenstapte, stond hij opeens tussen de mummies. Niet de in meters gaas
gewikkelde, van hersenen en ingewanden ontdane en gebalsemde farao's uit het
oude Egypte, maar alledaagse figuren in alledaagse kleren. Zo levensecht waren
ze, dat het Mair toescheen dat ze slechts sliepen en straks met de bezoeker
een praatje zouden aanknopen. Maar waar de Amerikaan pas echt opgewonden van
raakte, was hun uiterlijk. Voor hem lagen geen Chinezen of Mongolen maar Kaukasiers.
Scherpe neuzen, diepe en ronde oogkassen, blond of rood haar en (bij de mannen)
zware baarden: het waren onmiskenbaar blanken.
Urumqi is de hoofdstad van Xinjiang, het autonome gebied van de Oeigoeren,
een Turks volk. Mair, hoogleraar aan de Universiteit van Pennsylvania, leidde
in het museum een groep archeologen rond van het Smithonian Institute uit Washington.
Maar zodra hij de mummies zag liet hij zijn landgenoten aan hun lot over, om
de rest van de dag de mysterieuze lichamen nauwgezet te kunnen bestuderen. De
diepste indruk maakte een man in de hoek van de ruimte. Hij lag vredig op zijn
rug, de knieen licht gebogen, het hoofd op een wit kussen. De expressieve handen
rustten op zijn buik, bijeengehouden door een roodblauw koord. Hij droeg een
roodbruin wollen shirt, een dito broek, felgekleurde sokken en witleren laarzen
die tot aan zijn dijen reikten. Op zijn slapen waren okergele spiralen getekend.
Oer-David, noemde Mair de man, naar zijn op een na oudste broer.
baby blue
Inmiddels gaat de mummie, die van 1000 v.Chr. dateert en in 1985 door de Chinese
archeoloog Dolkun Kamberi is opgegraven, door het leven als 'de man uit Chrchn',
naar de plaats waar hij samen met drie vrouwen uit een graf te voorschijn kwam.
Enkele meters verderop lag een drie maanden oud kind met een blauwe vilten muts,
de ogen bedekt met blauwe stenen: 'Baby Blue'. Naast het lijfje lag een drinkbeker
in de vorm van een koeienhoorn en een uier van een schaap deed dienst als fles.
Keer op keer liep Mair om de vitrine van Oer-David heen, in de ban van het vreemde
en tegelijk vertrouwde gezicht. Intussen tuimelden de vragen over elkaar heen.
Wat deed die lange blonde man in deze verre streken? Hoe was hij in China verzeild
geraakt? Wanneer? Waar kwam hij vandaan? Welke taal sprak hij? Kort voor sluitingstijd
nam Mair afscheid en verdwaasd zocht hij zijn reisgenoten weer op.
Ruim drie jaar later, op 26 september 1991, las Mair in de New York Times over
Otzi, 5300 jaar oud en in de Tiroler Alpen onder een gletsjer opgedoken. De
ijsmummie was gevonden in de buurt van Pfaffenhofen, de plaats waar Mairs vader
was geboren en getogen. Onontkoombaar drong zich de gedachte op van een mogelijk
verband tussen de ijsmummie en de mummies die hij in Urumqi had gezien. Een
half uur later stond zijn besluit vast: hij zou een expeditie op touw zetten
naar de locaties in Xinjiang waar de mummies gevonden waren, met name het stroomgebied
van de Tarim. Die rivier ligt in de Takla-Makan, de op een na grootste woestijn
ter wereld. Na taaie onderhandelingen met de Chinese autoriteiten - de vindplaatsen
van de mummies zijn niet ver van Lob Nur, testgebied voor kernwapens - trok
Mair in de zomer van 1993 de woestijn in, langs de Zijderoute. In zijn gezelschap
verkeerden de Italiaanse geneticus Paolo Francalacci en Wang Binghua, de directeur
van het Archeologisch Instituut van Urumqi. Er werden verschillende begraafplaatsen
met mummies bezocht en Francalacci mocht enkele DNA-monsters nemen (uiteindelijk
was er slechts een bruikbaar). Sindsdien heeft Mair ieder jaar de Takla- Makan-woestijn
bezocht.
Wetenschappelijke artikelen over de Tarim-mummies verschenen in 1995 en 1998
in het Journal of Indo-European Studies. Ze waren geschreven door archeologen,
textiel-experts, historici, genetici, fysisch- antropologen en taalkundigen.
Op een breder publiek gericht is het onlangs verschenen boek The Tarim Mummies:
Ancient China and the Mystery of the Earliest Peoples from the West. Mair schreef
het samen met de Ierse archeoloog Jim Mallory. Het is een schitterend geillustreerde
uitgave waarin het complexe onderwerp van de Chinese mummies zorgvuldig en met
grote kennis van zaken in zijn context is geplaatst. Eerder publiceerde de Britse
textielexpert Elizabeth Barber The Mummies of Urumchi: Did Europeans Migrate
to China 4,000 Years Ago? Beide boeken zijn een antwoord op de media-aandacht
die de expedities van Mair ontketenden en waarin de nadruk meer lag op spectaculaire
plaatjes dan op de achtergronden van de mummies. Of het moest zijn dat er Kelten
in het spel zouden zijn.
weefpatroon
Dat laatste had te maken met de kleding van de mummies. In het droge zand van
de Takla-Makan-woestijn, waar de luchtvochtigheid gemiddeld 5 procent bedraagt
en per jaar nog geen 35 millimeter neerslag valt, krijgen ontbindende bacterien
geen kans, te meer daar de bodem een hoog zoutgehalte kent en de winters extreem
koud zijn. Bij die unieke combinatie van omstandigheden blijven niet alleen
de lichamen van de overledenen intact - zonder de ingrepen die de Egyptische
mummies ondergingen - maar ook hun kleding. Het verrassende was nu dat het weefpatroon
van de wollen omslagdoeken die sommige mummies uit Xinjiang droegen sprekend
leek op dat van de doeken die in de zoutmijnen nabij Hallstatt in Oostenrijk
zijn opgedoken en die van 1300-400 v.Chr. dateren. Die kleding was geweven door
voorouders van de Kelten. Was er een relatie tussen de Kelten en Chinees Turkestan?
De oplossing van dit mysterie ligt in de taal. In het zand van de Takli- Makan-woestijn
zijn manuscripten opgedoken in vele talen. Daaronder het Tochaars, een taal
die in de achtste eeuw na Christus door de opkomst van de Turkstalige Oeigoeren
is uitgestorven. Net als het Keltisch maakt het Tochaars, waarvan twee varianten
bestaan, deel uit van de familie van Indo-Europese talen. Die omvat een groep
uiteenlopende en geografisch zeer verspreide talen, van het Sanskriet en Latijn
via het Armeens, het Perzisch en het Hittitisch tot Germaanse talen als Engels
en Nederlands. Al die talen zijn geevolueerd uit een en dezelfde moedertaal:
het Proto-Indo-Europees. Die is, zo menen veel taalkundigen, in het vierde millennium
voor Christus in de steppen van Zuid-Rusland ontstaan om zich vervolgens te
verspreiden. Er zijn sterke aanwijzingen dat weeftechnieken circa 3000 v.Chr.
het eerst in juist die omgeving zijn gepraktiseerd. Het idee is nu dat de voorvaderen
van sprekers van het Keltisch en het Tochaars zich als eersten van de proto-taal
afsplitsten, waarbij de ene groep westwaarts trok en de andere naar het oosten
bewoog.
Op basis van de gegevens die het multi-disciplinaire onderzoek naar de Tarim
mummies tot nu toe heeft opgeleverd, en dat onder andere betrekking heeft op
begraafrituelen, schedelmetingen en onderzoek naar leenwoorden (het genetisch
onderzoek staat nog in de kinderschoenen), hebben Mair en Mallory als werkhypothese
het volgende model opgesteld. De oudste bewoners van de Takla-Makan-woestijn
zijn het gebied zo'n 2000 voor Christus vanuit de steppen in het noorden binnengetrokken.
Deze kolonisten waren verwant aan de zogeheten Afanasevo-cultuur in het noordelijke
hoogland, die de oostgrens vormde van het Indo-Europese taalgebied. Uit deze
Afanasevo-cultuur zou ook het Tochaars zijn ontstaan. De benodigde irrigatietechnieken
om aan de noordrand van de woestijn te kunnen overleven zou ze zich onderweg
via contacten met Indo-Iraanse culturen hebben eigen gemaakt. Later voegden
zich vanuit het westen andere volkeren bij hen, die voor een deel taalkundig
door de Tocharen werden opgeslokt. In documenten van de Chinese Han-dynastie
(206 v.Chr.-220 na Chr.) staan ze te boek als de Yuezhi, Wusun, en andere uitheemse
volken ten westen van het keizerijk. Hun komst verraadt zich door het bestaan
van Indo-Iraanse leenwoorden in het Tochaars.
Pas na de expedities van Mair raakte de westerse wetenschappelijke wereld in
de ban van de Tarim-mummies. Toch was de Amerikaan niet de eerste die ze opmerkte.
Minder spectaculaire exemplaren zijn al een eeuw geleden beschreven door ontdekkingsreizigers
als Sven Hedin, Albert von Le Coq en Sir Aurel Stein. Op hun tochten door Centraal-Azie,
op zoek naar Boeddhistische teksten en kunstschatten, stuitten ook zij in de
Takla-Makan-woestijn op uitgedroogde lichamen die plunderaars van graven in
het zand hadden achtergelaten. Maar voor deze westerlingen waren de mummies
slechts bijzaak.
vijandig
Op dit moment zijn zo'n duizend mummies uit hun graven gehaald, waarvan een
beperkt deel door archeologen. De meeste zijn inmiddels vergaan of liggen in
de open lucht te rotten op de begraafplaatsen waar ze zijn gevonden. Boeren
op zoek naar hout, schatgravers, zoutwinners: er zijn vele redenen om de graven
te schenden. Oeigoeren ruimen volop graven met 'heidenen' om er hun eigen doden
te kunnen herbergen. Ook in musea zijn de mummies niet veilig: slechts enkele
krijgen een conserveringsbehandeling en de rest rot weg in kelders. Zelfs lokale
Oeigoerse archeologen tonen zich soms ronduit vijandig tegenover de 'buitenlandse
duivels' uit het verleden. Om die reden stopt Mair de mummies die hij en zijn
teamleden in de ruige oases van de Takla-Makan opgraven na afloop van het onderzoek
terug in hun graf en dekt ze toe met beschermend woestijnzand.
Ook op nationaal niveau liggen de mummies gevoelig. Enkele eeuwen voor het
begin van onze jaartelling was de Takla-Makan-woestijn voor zowel de Grieken
als de Chinezen terra incognita en op hun kaarten zetten ze op die plek monsterfiguren.
Met de komst van de Zijderoute, die langs de Takla-Makan-woestijn voerde, vond
een stroom aan Chinese uitvindingen zijn weg naar het Westen. De boekdrukkunst,
papier, het magnetisch kompas, de ijzeren ploeg, buskruit, de aandrijfketting:
steeds waren de Chinezen er het eerst mee. Maar de opvatting dat het Chinese
rijk zich volledig los van het achterlijke Westen zou hebben ontwikkeld, snijdt
geen hout. In de pre-historie kwamen uit het westen de druif, het schaap en
zijn wol, de strijdwagen en het paard, en meer. De volkeren die zich vanaf 2000
v.Chr. in de Takla-Makan waagden namen technieken en gebruiken mee die hun weg
naar het oosten zouden vervolgen. Daarvan zijn de mummies de stille getuigen.
En ondanks de komst van de Oeigoeren en de massale import in de jaren vijftig
van Han-Chinezen op bevel van Mao, stroomt, zo wijst genetisch onderzoek uit,
hun bloed nog altijd door de aderen van huidige bewoners van Xinjiang.
J.P. Mallory en Victor H. Mair. The Tarim Mummies: Ancient China and the
Mystery of the Earliest Peoples from the West. Thames & Hudson, 2000. Geill.,
352 blz., ISBN 0 500 05101 1. Prijs: $50.00. Elizabeth Wayland Barber. The Mummies
of Urumchi: Did Europeans Migrate to China 4,000 Years Ago? Macmillan, 1999.
Geill., 240 blz., ISBN 0 333 73024 0. Prijs: ? 20.00.
NRC Handelsblad
Artikelen op thema: